vrijdag 29 februari 2008

Muts op in het klaslokaal

We hebben een bar koude week achter de rug. Weersomstandigheden die ze hier in geen 50 jaar hebben meegemaakt. Het schijnt te maken te hebben met het smelten van de sneeuw in de omgeving waardoor er een koudegolfje is met veel regen en wind.
Onze klaslokalen zijn kale ruimten met vooroorlogs meubilair. In sommige lessenaars is zelfs ruimte voor een inktpotje te ontwaren. Er is geen verwarming in de lokalen, met als gevolg dat we het de afgelopen week afstierven van de kou en blauwbekkend, met onze winterjassen aan en vaak met muts op, de lessen volgden.
Modern zijn wel de schoolborden te noemen. Er wordt niet geschreven met krijt, maar met viltstift. Vaak doen de viltstiften het niet en is er in de verste verte geen bordenwisser te ontwaren. Beetje tobben is het dan wel voor onze docenten, de 'laoshi'.

Chinees onderwijs: liedje zingen voor de klas

Het onderwijs aan ons, buitenlandse studenten, staat nog in de kinderschoenen. We hebben een stapel studieboeken met cd-roms, maar die zijn beslist vatbaar voor verbetering.
Onze lerares 'Spelling', tevens mentor, heet Zhou Xiaoqing. Aan te spreken met Zhou laoshi. Zhou is een schat van een vrouw, met gevoel voor humor, en zij doet ongelooflijk haar best om haar lessen zo prettig mogelijk te laten verlopen en een modern tintje te geven. Daarvoor heeft ze een aantal ludische methodes ontwikkeld.
Onze Zhou leest dialogen uit het leerboek één keer hardop voor en daarna moeten wij ze gezamenlijk, in een zekere cadans, nazeggen. Vervolgens moeten we het boek dichtslaan en krijgen we in tweetallen de beurt om de dialogen letterlijk, ten overstaan van onze klasgenoten, voor de klas na te zeggen en na te spelen.
Een andere keer krijgen we allemaal een briefje met daarop een letter. Zij noemt een woord en degenen die een papiertje met een letter uit dat woord in handen hebben, moeten met hun papiertje in de lucht wapperen. Steek je per abuis het verkeerde papiertje op, dan moet je voor straf een liedje zingen. Ook hebben we meegemaakt dat we een kunstbloem moesten doorgeven aan elkaar. Zhou laoshi staat dan met haar rug voor de klas en klapt in haar handen. Als ze stopt met klappen, draait ze zich om en degene die de bloem in handen heeft, dient een in het Mandarijn gestelde vraag te beantwoorden. Is de spelling niet goed, tja, dan is het liedje zingen geblazen. Medecursisten zingen vaak braaf een volkslied of kinderversje, maar wij Nederlanders gooien er regelmatig een scabreuze liedtekst tegen aan. Ze verstaan ons toch niet.

Respect voor laoshi, de docent

In totaal hebben we vier vrouwelijke docenten - laoshi - die ons wegwijs willen maken in de toch wel complexe taal. Lao betekent 'wijs' en 'shi' betekent 'meester'. Kortom, de docenten staan voor het overdragen van kennis, van wijsheid.
In China worden deze vakkrachten met respect benaderd. Een Zuid-Koreaanse medestudent moest voortijdig de les verlaten. Wellicht moest ze even naar het toilet.
Ze loopt naar voren, buigt haar hoofd, vouwt haar handen, vraagt de docente toestemming om de les te verlaten en, nu komt het, verlaat nederig buigend het leslokaal zonder zich om te draaien.
In Nederland heb ik dergelijke respectvolle bejegening alleen meegemaakt op koninginnedag in de 50`er jaren. Onderdanen verlieten, na het overhandigen van hun geschenken, het Soestdijkse bordes zonder hun rug naar majesteit te keren. In Azië valt al het onderwijzend personeel deze respectvolle bejegening ten deel.

De monteur met de helm: internetaansluiting

Bij ontstentenis van een deurbel, bonkte ie dan eindelijk op mijn deur: de monteur van China Telecom die voor een bloedprijs een internetaansluiting in mijn appartement zou realiseren.
Het blijkt onmogelijk om via een internetcafé verbinding te krijgen met mijn internetprovider in Nederland en mij was verteld dat via een aansluiting in mijn appartement dit idealiter wel kon worden gerealiseerd.
De man was geheel gekleed in het blauw: een blauwe gewatteerde jas, een blauwe broek en een mooie blauwe helm op zijn hoofd met daarop het logo van het Chinese staatstelecomedrijf. Hij leek wel een mijnwerker.
De staatsdiender hield zijn helm op toen hij een aanvang nam met zijn verantwoordelijke werkzaamheden. Alsof ieder moment het plafond kon neerstorten. Bezorgd inspecteerde ik de bouwkundige staat van mijn appartement. Het zou toch niet? Alles leek in orde.
Blauwhelm ging voortvarend aan de slag. Snoertje hier, snoertje daar en of ik nog een extra stekkerdoos voor 'm had. Goddank, er hing er nog een bij de koelkast.
Toen druk op de knop van de laptop en jawel hoor: aansluiting. Klein probleempje dient zich dan aan. Een Nederlandse tekst in beeld. Er moeten nog wat antwoorden worden aangevinkt. Blauwman vraagt mij vriendelijk in het Mandarijn of ik kan uitleggen wat er staat. Hij spreekt geen Engels, maar ik nauwelijks Mandarijn. Hoe vertaal je 'breedband' of 'kabelaansluiting'? Ik zou de termen best willen mimen, ware het niet dat ik in de verste verte niet weet wat deze abacadabra betekent.
We kijken elkaar aan. Tja, daar staan we dan.
Alle knopjes om de beurt aanklikken dan maar en afwachten wat er vervolgens gebeurt. En jawel hoor, na enige mislukte vinkjes, is er het internetcontact. Erg langzaam weliswaar, maar ik kan communiceren. Met dien verstande dat ik alleen op Yahoo kan geraken. Mijn provider in Nederland blijft onbereikbaar. Vooralsnog ben ik alleen te bemailen via ulvenhout34@yahoo.com.

maandag 25 februari 2008

Appartement met kale huur


De Guangxi Normal University heeft drie vestigingen in Guilin. Er is een historische in het centrum van de stad, maar daar ben ik helaas niet ondergebracht. Ik bivakkeer in een appartementencomplex op een universiteitsterrein aan de rafelrand van de stad. Dit complex is exclusief voor buitenlandse docenten gereserveerd. Het bestaat uit langwerpige blokken van vier verdiepingen hoog die in slagorde staan opgesteld. Tussen die blokken staan rijen bomen en voor de blokken liggen haveloze tuintjes.
Om die blokken staat een hekwerk met daarop bewakingscamera's. Om binnen te komen moet je een concierge passeren die 24 uur van de dag paraat is. Die concierge moet je te vriend zien te houden, zo heb ik wel begrepen. Is hij je vriend, dan is hij bereid - uiteraard tegen betaling - een jerrycan water of butagasfles voor je te regelen en de trap op te sjouwen. In het andere geval moet je zelf zo'n fles op de rug nemen.
De concierge is inmiddels mijn ' vriend'. 'Guangxi', relatienetwerken, is onmisbaar om het in China te redden. Ik heb het maar gelijk in de praktijk toegepast. Nu had ik kleine Delftsblauwe tegeltjes meegenomen om deze als smeermiddel cadeau te doen aan deze en genen die mij een dienst bewezen. Maar wat moet zo'n man met zo'n tegeltje? Pakjes sigaretten zijn beslist doeltreffender.
Mijn flatje ligt op de 2e verdieping (in China heet de begane grond al 1ste verdieping). In principe moeten de lampen in het portiek aanschieten zodra je een stap binnen zet. In principe dus. Mijn lieve concierge heeft mij inmiddels gedemonstreerd hoe de lampen spontaan ontvlammen: bij ieder trapgat moet je op een bepaalde plek hard stampen en Eureka er zij licht. Ieder portaaltje heeft een eigen gebruiksaanwijzing. Bij de ene is het het nadrukkelijk manipuleren van de bovenste trede, bij de andere moet ik meer naar links of meer in het midden stampen.
Ben ik eenmaal bij mijn voordeur, dan val ik letterlijk met de deur in huis. De woonkamer is namelijk de hal. Daarnaast heb ik een ouder- en een kinderslaapkamer, een keuken en een aan de keuken grenzende douche, annex toilet.
Alle vertrekken hebben ramen met gordijnen, maar nu net niet de keuken en de douche/toilet. Geluk bij een ongeluk is wel dat de ramen al in geen jaren zijn gewassen, dus van een schone aanblik is geen sprake.
Wereldvreemd was ik toen ik het huurde. Ten onrechte was ik uitgegaan van een vakantiebungalowidee, dus van een huurhuisje met complete huisraad. Dat viel tegen. Er zijn weliswaar bedden, kasten, wasmachine, stoelen, bureaus en tv. Maar geen kopje, geen prullenbak, afwasteiltje, spiegel of schrobber te bekennen. Ik ben twee dagen druk geweest met de aanschaf van huisraad. Aanvankelijk ging ik op zoek naar tweedehandsjes. Het leek mij logisch dat mijn vriend de concierge daar wel een handeltje op na zou houden. Inmiddels weet ik dat het gros van de bewoners de hele inboedel mee terug naar huis neemt.
Mijn verblijfplaats heeft wel iets monastieks: het meest noodzakelijke is er, maar de franje ontbreekt. Er mag bovendien niets aan of tegen de muren. De vloeren tellen bruine geglazuurde tegels met een houtmotief om het oppervlak een zeker cachet te geven en het meubilair is Spartaans uitgevoerd. Ik zit en ik lig, eufemistsich gezegd, hard. Toch is het een fijne plek, want mijn huis. Het is beslist optima forma Chinese style, zij het dat ik de entree inmiddels heb opgesierd met een matje en het toilet met een toiletborstel. Ook heb ik het balkon geschrobd.
Binnenkort ga ik zelfs de ramen zemen, want ik heb na lang zoeken een wisser op de kop getikt. Hollandser kan het bijna niet.

zondag 10 februari 2008

Noedelsoep

Aan de Guangxi Normal University in Guilin wil ik mij bekwamen in het Mandarijn. Een hele opgaaf. Ik heb weinig zitvlees en een toch wel volle geheugenschijf na 56 levensjaren.
Het straffe lesregime van 6 dagen per week, het in m'n kop stampen van al die moeilijke klankwoorden, de atletiekoefeningen van mijn spraakorgaan. Misschien moet ik wel met de Nederlandse vlag paraderen tijdens de introductieweek en slaap ik alle nachten slecht omdat
de springveermatras in China nog moet worden uitgevonden.
Dit alles lijkt mij peanuts vergeleken bij een dagelijks portie noedelsoep bij het ontbijt. Alleen al de geur. En dan die onfatsoenlijk lange bamislierten waarbij de vette bouillon in je gezicht spettert. Om het nog maar even niet over de kleur te hebben. Nooit eens een gezellig tomaten- of aspergesoepkleurtje, maar zo'n kwallensnotkleur. Over de brokjes onbestembaars in die soep wil ik het niet eens hebben.
Alleen al het besef dat dat je ontbijt wordt. Een nachtmerrie.

Ontleend aan Wikipedia:
'Guilin rijstnoodles zijn de lokale ontbijtvezels sinds de Qin-dynastie en staan bekend om hun delicate smaak. Deze noodles werden indertijd bereid voor Qintroepen die leden aan diarree omdat ze het lokale spicy eten niet verdroegen. Dé specialiteit in Guilin is noodles met paardenvlees, maar het gerecht kan ook besteld worden zonder paardenvlees.'

Gewoon een lieve jongen uit Turpan




In oktober 2005 wandelde ik vanuit Turpan naar een minaret in het buiten-
gebied. Het was de dag na de ramadan, mensen verkeerden in opperbeste stemming en Hopperiaans glijlicht viel over dorp en veld.
Er kwam een ezelkar voorbij met een man en een vrouw voor op de kar. De vrouw maakte een gebaar van 'spring maar achterop'. Ik riep 'minaret', zij knikte en ik, hop achter op de kar. Het ritje duurde wel erg lang. Ik riep nog maar eens 'minaret' en het echtpaar glimlachte.
De ezelkar stopte bij een poort. Poort open, ezelkar gestald en ik moest plaatsnemen in een kale ruimte met een houten kast als enig meubilair. Zittend op een kleed op een verhoging in de kamer wachtte ik nieuwsgierig af.
Een jongen kwam binnen. Verlegen gaf hij mij een hand. Hun zoon gebaarden ze, hun enig kind.
Na enige tijd kwam de vrouw terug met een schaal met verse broodjes, klein fruit en koude visjes. Eet, zo gebaarde ze mij glimlachend.
'Minaret' herhaalde ik nog maar eens. Het echtpaar gebaarde dat ze me echt wel hadden verstaan. Na afloop van de maaltijd stopten ze hun zoon wat geld in de hand. Samen wandelden wij het dorp uit op zoek naar een taxi. 'Ik de taxi betalen?' Geen sprake van.
De jongen was zorgzaam en verzorgde een excursie rond de minaret. Met de taxi bracht hij me vervolgens terug naar het hotel. Opdracht van z'n ouders, begreep ik.
Ik maakte foto's van hem. Onduidelijke krabbels op een stuk papier moesten een adres voorstellen. Ik had er weinig vertrouwen in dat een ijverige postbeambte mijn foto's op het juiste adres zou weten te bezorgen. De kiekjes bleven liggen.

Twee jaar later vertrokken vrienden naar China. Turpan stond op hun route. Ik gaf ze de foto's mee in een envelop, evenals de summiere adresgegevens.
Eenmaal in deze stad schoten ze Chinezen aan met de vraag of ze wellicht de jongen op de foto's herkenden. Iemand wees ze de weg naar een school. Er was net pauze. Op het schoolplein lieten ze de foto's circuleren en in de menigte scholieren werd 'mijn jongen' al snel getraceerd.
Dit is 'm. Gewoon een lieve, verlegen Chinese jongen uit een dorpje nabij Turpan. Zijn naam ken ik niet.

Nieuwsgierige 'pottenkijkers'

De meeste hotelkamers en restaurants in China tellen inmiddels toiletten met een pot. Iets anders is het gesteld met veel openbare toiletten. Vaak bestaan deze uit een lange betonnen geul die uitgegraven is in de grond. Op die geul zijn overdwars afscheidingen geplaatst en tussen die afscheidingen laat je de broek zakken, ga je in hurkzit en doe je je behoefte.
Er zijn dus geen deuren. Toiletpapier koop je bij een toiletdame die haar papier klaarblijkelijk van overheidswege op rantsoen heeft gezet. Het papier dat zij distribueert is namelijk amper voldoende om je neus in te snuiten.

Zo moeilijk als Chinezen zijn in het uiten van affectie in het openbaar, zo makkelijk laten ze in het bijzijn van anderen de broek zakken. Mijn persoonlijke voorkeur geldt het tegenovergestelde, maar mogelijk beschouwen Chinezen dat als een westerse aberratie.

Eerlijk gezegd vind ik de hurkzit al erg tobben. Ik heb altijd de angst dat ik uit balans raak en met mijn derrière achterover kukel in de derrie van een ander. Hoofdbrekens zat op zulke intieme momenten. Ik zit dus beslist niet te wachten op een stel toeschouwers die mijn verrichtingen nieuwsgierig gadeslaan. En al helemaal niet als ik aan de diarrhee ben.
Nou, dan ben je in China aan het verkeerde adres. Chinezen vinden toiletverrichtingen van buitenlanders allemachtig interessant. Het zijn gewoon nieuwsgierige 'pottenkijkers' en nemen de tijd om je prestaties te observeren en te bediscussiëren.

Moderne Chinezen staan na gedane zaken ook niet gelijk op, zo nam ik waar. Op hun gemak maken ze het telefoongesprek af dat ze in hurkzit en met de broek op de enkels op hun mobieltje voeren.

Neem de trein

Het openbaar vervoer in China is fantastisch goed geregeld. Treinen bijvoorbeeld rijden stipt op tijd en zijn schoon. Het nemen van de nachttrein is niet alleen efficiënt, maar bovenal een hele belevenis.
Aangekomen op het station mag je niet gelijk het perron op. Iedereen moet wachten in de stationshal en moet langs een dranghek waar de kaartjes worden gecontroleerd. Pas een paar minuten voor vertrek zwaaien de toegangsdeuren naar het perron open.
Eenmaal in de trein en in de coupé wordt het al snel reuze gezellig. Je medereizigers ontpoppen zich als nieuwsgierig aagjes, oefenen hun Engels, halen etenswaren tevoorschijn en zijn royaal in het delen van hun proviand. Veel lachen, veel praten en veel familiaal aandoend kabaal.
Iedere coupé heeft een grote thermoskan met heet water. Die kan staat precies in het midden onder een tafeltje bij het raam. Om de haverklap banjert een geüniformeerde treinstewardess door de gemeenschappelijke gang en oh weh als je de kan niet precies in het midden hebt teruggezet. Met wiskundige precisie corrigeert ze dwangmatig de paar centimeters links of rechts van het midden.
Om ongeveer 22.00 uur is het de bedoeling dat je gaat slapen. Er volgt dan een grote verkleedpartij. Ik heb het genoegen mogen beleven om de nacht te mogen doorbrengen met een Chinees die bij daglicht keurig in het pak zat, maar des 's avonds in een hansop met beertjes erop onder de wol kroop.
Waag het niet nog te praten na dat tijdstip. De stewardess die gedisciplineerd haar rondes loopt, is streng en maant tot stilte. Het lijkt wel een kostschool.
Bij ieder treinstation dat je passeert staan geüniformeerde dames en heren streng in het gelid en salueren. Ze groeten de trein, groeten jou.

Nederland: lotus-orchidee

Chinezen zijn een poëtisch volkje, althans als ik me baseer op de naamgeving van mensen, gebouwen en pleinen. Je hebt niet 'het plein van de vrede', maar 'het plein van de hemselse vrede'. Zo'n superlatief, ja, daar heb ik wel wat mee.
In het Mandarijn is Nederland 'Hélán'. Als ijverige student associeerde ik dat met 'Holland' en zag ik het als verbastering van het Nederlands.
Niets is minder waar. 'Hé' betekent 'lotus' en 'lán' betekent 'orchidee'.
We zijn in dat 'grote rijk van het midden' niet het land van de fantasieloze 'tulp en klomp' maar van de 'lotus-orchidee'. Geweldig idee toch?

vrijdag 8 februari 2008

Gek op dansen

Het was eind jaren zestig en bij dansschool Van der Meulen aan de Laan van Meerdervoort in Den Haag. De Engelse wals, de foxtrot, cha-cha-cha, de Samba, de vogeltjesdans, de tango. Ik leerde de passen, haalde het basisdiploma stijldansen, maar vervolgens deed ik er niet veel meer mee. Andere tijden waren aangebroken.
In China deed ik de wonderbaarlijke ontdekking dat Chinezen gek zijn op alle dansen die in Nederland in de mottenballenzak zijn beland. Op pleinen en in hotels wordt er menige avond lustig op los gewalst. Een paar speakers met luidschallende Strauss-muziek en jong en oud zijn niet meer te houden. Zeer gedisciplineerd en zeer in de maat draaien honderden mensen op zo'n avond hun rondjes. Ze zijn er echt stapelgek op.

Een stel jonge Chinezen staat in de hoek van de zaal te ginnegappen en te overleggen. Ze hebben het over mij en kijken me telkens besmuikt aan. Ik knik ze maar eens vriendelijk toe. Een durfal stapt op mij af en in no time zwier ik met hem door de zaal. Na tien minuten is het 'changez' en beland ik braaf in de armen van de volgende Chinees uit het groepje. Geroezemoes over mijn dansprestaties in de zaal; er wordt zelfs geklapt. Een Chinese dame komt op mij af en vraagt of ik ook met die en die en die wil dansen.
Nadat om 23.00 uur het laatste nummer uit de speakers schalt, gaan de lichten aan en verdwijnen de dansers stilletjes en gedisciplineerd in de nacht. Er wordt naar mij gebogen en ik word hartelijk bedankt. Niemand blijft nababbelen of nahangen. Het gaat ze louter om het dansen.

Massage

Mij zul je in Nederland niet snel aantreffen in een sauna of in een massagesalon. Ik voel me er vaak wat ongemakkelijk bij. De tijd dat ik me op het strand moest verkleden in een strandlaken met een elastiek, staat me nog te helder voor de geest.
Ben ik echter in het buitenland, dan pas ik me reuze gemakkelijk aan aan de plaatselijke mores. In Scandinavië frequenteer ik de sauna en in Azië ga ik aan de massage. Deze vormen van onthaasting maken zo'n vanzelfsprekend deel uit van de cultuur van zo'n land, dat ik eventuele scepsis snel laat varen.
In China kun je alle vormen van massage volgen. Een weldaad. Er zijn massages waarbij je vreest dat al je ledematen van je romp worden getrokken, maar ik heb er ook het genoegen mogen beleven dat een masseuse over mijn rug trippelde zonder dat ik het gevoel had vertrapt te worden. Bij deze dame lagen, voor ik er zelf erg in had, mijn benen in haar nek en hingen mijn armen in haar armen. Dat zij mijn weinig soepele lijf in no time tot een vogelnestje wist te transformeren, overtrof mijn stoutste verwachtingen.
Ook maakte ik een masseuse mee die verveeld kauwgomkauwend mijn corpus bewerkte en onderwijl naar de televisie keek. En bij een Chinese kapper werd ik ooit eerst uitgebreid gemasseerd waardoor ik me afvroeg of ze wel begrepen hadden dat ik alleen maar mijn haar wilde laten knippen. Enfin, 's lands wijs, 's lands eer.
Eenmaal onderging ik een behandeling die van het masseren "een groot feest" maakte.
In al mijn onschuld was ik, vlak voor mijn terugkeer naar de Hollandse polder, een massagesalon binnengestapt die diep verborgen in een smal steegje de manuele diensten aanbood. De entourage bij de balie was al anders, maar ik liet het bij die waarneming.
Ik vroeg 'massage?' Er werd bevestigend geknikt.
Aanbeland in de massagekamer op de bovenste verdieping, onderwierp ik mij aan een behandeling die zich niet beperkte tot het feitelijke ambacht. Opstaan en het pand spoorslags verlaten? Ach, dat kwam er niet meer van. Ik onderging er een 'massage-pluspakket'. Ja, zo kan ik het wel omschrijven.

Welkom in het hotel

Na ontberingen in Kirgizië waar we bij gebrek aan hotels in de najaarsvrieskou kampeerden, was de verwelkoming in het eerste Chinese hotel - in Kashgar - een warme douche. Het hotel was gehuisvest in het voormalige ambassadegebouw van de Sovjet-Unie. De grandeur zat nog in de stenen.
Bij de entree van het hotel werd een acrobatenshow opgevoerd. Het voornamelijk vrouwelijke hotelpersoneel stond erbij in vol ornaat in de rij op het bordes en knikte ons nederig toe. Die vrouwen zagen er dodelijk vermoeid uit.
's Nachts in mijn hotelbed werd ik gek van de onophoudelijke, nachtelijke telefoontjes. Rrrrring, rrrring... en nog 'ns rrring, rrring... met telkens de vraag 'you want massage?' Deze telefoonterreur is me in veel hotels overkomen.
Bed uit, lichtknopje aan en op zoek naar de stekker van de telefoon. Er zit niets anders op. Zijn ze nou helemaal van lotje getikt daar in China?
Waarom laten ze je niet met rust na een veelvuldig, hartgrondig uitgesproken 'NO'?
'Een warme deken voor de nacht'. Het blijkt in menig hotel 'standaardroomservice'.

Ruzie op z'n Chinees

Chinezen zijn over het algemeen heel aardig en gedienstig naar buitenlanders. Ze zijn ook kinderlijk nieuwsgierig en als ze lachen, dan is het vaak geen volwassen volle en gulle lach, maar meer zoals aapjes lachen: beetje krijsen, beetje hinniken, beetje gillen en daarbij hard op de knieën slaan. Alsof je zonet een leuke mop hebt verteld.
Ruziënde Chinezen zie je niet zo vaak. Slaat eens een keer wel de vlam in de pan, dan ontstaat er gelijk een volksoploopje.
Ooit maakte ik in Xian een aanrijding mee tussen twee taxi's waarbij de twee chauffeurs knallende ruzie kregen. In no time stonden tientallen mensen om de ruziemakers heen; mensen die de aanrijding niet eens hadden zien gebeuren. Met groot genoegen delibereerden ze over de zaak. Driftig en heftig gebarend ging de schuldvraag over de tong.
Tot het moment dat een politieauto stopte. Snel droop iedereen af en keerde de rust terug. Alsof er niets was gebeurd.

Aanraken is kopen

In China moet je in winkels enorm op je tellen passen. Met name de verkoopsters ontpoppen zich al snel als enorme haaibaaien. De verwelkoming is dienstbaar, maar onder elkaar hebben ze dan al denigrerend vastgesteld dat je een 'langneus' bent.
De gemiddelde verkoopster volgt je gedragingen op de voet en klemt zich als een horzel aan je vast. Zodra je een artikel in de hand hebt genomen, begint ze met onderhandelen. Ze noemt een prijs. Deze is altijd te hoog. Zelf weet je nog niet eens of je het betreffende artikel wilt kopen, maar die tante dramt door, want ervaring heeft mij geleerd, dat het product aanraken, het product kopen is.

In je onschuld bied je de helft van de prijs omdat je veronderstelt dat je dan wel van dat nare mens verlost raakt. Niets is minder waar. Ze doet heel dramatisch en maakt een scène. De kwaliteiten van het product worden nadrukkelijk aangeprezen en ze laat je fijntjes weten dat zij het product tegen de belachelijk lage prijs die jij hebt genoemd nog niet eens heeft kunnen inkopen. Maar goed, je bent vandaag haar eerste klant, ze heeft een goede bui en ze vindt je aardig, dus ze wil wel een gebaar maken etcetera en verlaagt haar prijs met een paar procent. Voordat je het weet, koop je het product. Je wilt er van af zijn en wat kunnen jou die paar Euro's ook schelen?

Er is een beter scenario. Verlaat haar winkel zonder het artikel. Voordat je haar winkeldeur uit bent, slingert ze nog wat verwensingen naar je hoofd. Neem dit op de koop toe en voel je vooral niet schuldig. Het hoort allemaal bij het spel, haar spel.
Ben je eenmaal op straat, dan komt ze je vaak achterna, en biedt ze je het artikel alsnog aan voor de prijs die je hebt genoemd. Had je het artikel toch al willen kopen, sla dan je slag. Eenmaal bij de kassa, zal ze proberen je nog wat extra pecunia af te pingelen. Hou dan voet bij stuk en mevrouw bindt in en rekent keurig met je af.
Weet dat je dan nog altijd veel te veel hebt betaald. Mijn ervaring is dat 10/20% van de vraagprijs de reële waarde is.

Inmiddels zit ik thuis opgescheept met een nep-opiumdoos, afschuwwekkende Chinese jammermuziek en meer parafranalia waarvan ik denk: wat moet ik er in hemelsnaam mee?

dinsdag 5 februari 2008

China: wat een land

China rukt op in de wereld en maakt als land een enorme omwenteling door.
Waar je ook bent, zie je de grijparmen van bulldozers nietsontziend toeslaan. Hutongs, betoverende dorpjes: ze worden met de grond gelijk gemaakt. Ze maken plaats voor torenhoge flatgebouwen en een uitgebreid wegen-, tunnel- en bruggennet. Alsof de duvel China op de hielen zit.
De cultuurbarbarij en -vernietiging gaan in China sneller dan ik een actiekreet op een spandoek heb geschilderd. Aan inspraak doet men er niet zo. Een geschilderd symbooltje op de buitenmuur en de bewoners, huurders, eigenaren weten dat ze snel moeten verkassen en opkrassen.
De gemiddelde Chinees lijkt het veranderingsgeweld lethargisch te ondergaan. Is het Confucius, is het Boeddha of zit er niets anders op onder het vigerende politieke systeem?
Het spanningsveld en de tegenstellingen - tussen historie en hi-tech, tussen behoud en afbraak, tussen Confucius en marktkapitalisme - intrigeert mij buitengewoon.
En dan die waanzinnige drive, dat moordende werktempo, die onstuitbare ondernemingszin. Hoe is het mogelijk dat er nog wordt gelachen, dat er nog tijd is om te flaneren en te vliegeren - nationale volkssport van heren op leeftijd - en uitgebreid te eten?
En dan die marktvrouwtjes met hun spitskool, de eenpits-straatrestaurants, de mahjongspelers en de fitnessende bejaarden in parken met hun onafscheidelijke thermoskan thee. Zij lijken zich van het veranderingsgeweld weinig aan te trekken. Op zoveel plekken is China zo kneuterig gezellig.
En dan die prachtige natuur, die karstbergen, die organisch met het landschap verweven boerendorpjes, die prachtige rijstvelden, die rivieren die door het landschap meanderen...
China: wat een land.

Soepgedrag

Ik heb niets met Chinese noedelsoep. Je hebt deze soep vers en in gedroogde vorm. De laatste variant verkopen ze in treinen in China. Je mikt er wat heet water over en smullen maar! Persoonlijk zou ik deze variant nog niet eens een cavia willen voorschotelen. Ben dus beslist geen alle-soepen-eter, maar er zijn soepen, mmmm... Bij AH verkopen ze heerlijke mosterdsoep en zelf maak ik regelmatig onvervalste pompoen- of tomatensoep.

Jarenlang viel mij op dat mijn mannelijke gasten stilvielen boven een bord, boven mijn borden soep. In Chinese treinen vallen alle heren stil boven instant-noedelsoep. In Nederland zijn mannen gek op cup-a-soup. Mijn mannelijk personeel vrat me er arm aan. Zo erg, dat ik mij tijdens een belastingcontrole moest verantwoorden over de grote post 'soepen'. Alsof ik er in het geniep een illegaal uitgifteloket op nahield.
Damesbezoek, maar ook ik, ratelen lustig door en laten lekkere, verse soep zelfs koud worden als het zo uitkomt. Ik vond dit onderscheidend soepgedrag dermate curieus, dat ik mijn participerende observatie maar eens heb voorgelegd aan Martin Bril. Nou, die Bril weet van soep hoor en van mannenmanieren. Lees hier zijn bijdrage.




Soep
de Volkskrant, Magazine, 31 maart 2007 (pagina 07) Martin Bril
Een brief uit Ulvenhout. Mieke Nuijen schrijft: 'Proefondervindelijk heb ik de afgelopen dertig jaar het volgende vastgesteld: 1) Mannen houden van soep (althans alle mannen voor wie ik soep heb gekookt), en 2) Mannen die bij mij soep eten, doen dat zwijgend en vergeten hun omgeving. Vraag: kunt u dit verschijnsel verklaren?' Einde brief. Welnu, ik kan het verschijnsel niet verklaren, of Mieke Nuijen moet heerlijke soep koken. Dat lijkt me dan meteen ook een afdoende verklaring.
Toch is het zo'n brief die je een paar keer kunt lezen. Om te beginnen is er dat 'proefondervindelijk'. Alsof mevrouw Nuijen zich dertig jaar geleden voornam uitgebreid empirisch onderzoek te doen naar de reactie van mannen op soep. Ten tweede de onmiddellijke conclusie: alle mannen houden van soep.
Is dat wel zo, trouwens? Zelf, bijvoorbeeld, heb ik geen bijzondere band met soep. Maar goeie linzensoep op het juiste moment - heerlijk. Erwtensoep in de winter, ook goed. Maar verder is soep niet iets waar ik 's nachts wakker van lig. Mijn grootmoeder van vaders kant maakte heerlijke kippensoep. Ik zie het vet er nog in pareltjes op drijven.
Maar verder? Nee, ik ben geen soepman. Dat brengt ons bij de zin die mevrouw Nuijen tussen haakjes heeft geplaatst: 'Althans alle mannen voor wie ik soep heb gekookt.' Bij die mannen hoor ik dus niet. Was dat wel zo, dan zou ik ongetwijfeld anders over soep denken. Wat dat betreft ben ik gewoon een man net als alle andere. De liefde gaat door de maag.
Fascinerend vind ik de aanduiding 'alle mannen'. Alsof zich de afgelopen jaren duizenden mannen in mevrouw Nuijens keuken hebben gemeld om soep te eten. Dat is trouwens wél iets dat ik over soep kan zeggen: het is iets voor in de keuken. Soep eet je aan een ongedekte tafel, bij voorkeur uit een kom. Soep uit een bord vind ik overdreven. Dan moet het wel heel goeie soep zijn. Hoewel, ineens ben ik er niet zo zeker van.
Als ik in Frankrijk ben, eet ik vaak soep. Restaurants waar bouwvakkers eten, hebben bij het middagmaal meestal soep op het menu staan. Dat is van die ingedikte groentesoep waar alle groenteafval van een week in wordt weggekookt. Dat is in feite soep van niets, maar toch goed, als appetizer. En om brood in te soppen, natuurlijk. Een andere Franse soep is er eentje waar oud brood in zit, overigens. Dat soort soep zal niet de soep zijn die Mieke Nuijen maakt, vermoed ik zo. 'De mannen eten hun soep zwijgend.'
Dat vind ik een zin die van alle tijden is, volkomen klassiek. In de Middeleeuwen, in het Napoleontische Parijs, tijdens de
Tweede Wereldoorlog aan het Oostfront, in wegrestaurants overal in Nederland; altijd eten de mannen hun soep zwijgend. Dat hoort bij soep. Soep is geen gerecht om bij te praten. Soep is iets waar je op aanvalt, want je hebt honger.
Soep is soms de opmaat tot iets substantiëlers, een echte maaltijd, maar vaker de opmaat tot iets belangrijkers: een warme, gevulde maag. Geen ander gerecht draagt die belofte zo nadrukkelijk in zich. Eet soep, en daarna ben je tevreden. Nu ik het erover heb, krijg ik er zin in; u ook?
Dan vergeten de mannen hun omgeving ook nog eens. Dat kan iets zeggen over de omgeving. Er is niets de moeite waard om de blik aan te hangen. Maar Mieke Nuijen bedoelt natuurlijk dat haar soep zo goed is dat haar mannen er helemaal genoeg aan hebben. Terwijl ze hem naar binnen lepelen, vallen ze er even helemaal mee samen. Ze zijn als het ware soep, ze zijn één met de soep, en het nuttigen ervan. Dat is ook een echte eigenschap van soep. Je kunt hem niet halfhartig naar binnen werken, je kunt er niet als in een salade ongeïnteresseerd in rond prikken, het is een gerecht dat je moet eten. De damp slaat in je gezicht. In soep kun je alleen maar zin hebben.
Is het iets typisch mannelijks, soepliefde? Ongetwijfeld heeft Mieke ook vaak soep voor vrouwen gekookt. Maar ze heeft het er niet over in haar brief. Misschien zijn mannen makkelijker met een natte vinger te lijmen dan vrouwen, en vallen ze daarom altijd zo aan op soep. Je kunt dat ook positief zien: mannen zijn dromers. Zodra het ergens lekker ruikt, vergeten ze dat ze ook wel eens waardeloze soep hebben gegeten. Bovendien zijn mannen makkelijk: ach, soep, lekker. Het is warm, en het vult. Als je het op hebt, ben je het weer vergeten. Dat is dan weer het noodlot van soep. Het beklijft niet.

Copyright: Bril, Martin