Jarenlang viel mij op dat mijn mannelijke gasten stilvielen boven een bord, boven mijn borden soep. In Chinese treinen vallen alle heren stil boven instant-noedelsoep. In Nederland zijn mannen gek op cup-a-soup. Mijn mannelijk personeel vrat me er arm aan. Zo erg, dat ik mij tijdens een belastingcontrole moest verantwoorden over de grote post 'soepen'. Alsof ik er in het geniep een illegaal uitgifteloket op nahield.
Damesbezoek, maar ook ik, ratelen lustig door en laten lekkere, verse soep zelfs koud worden als het zo uitkomt. Ik vond dit onderscheidend soepgedrag dermate curieus, dat ik mijn participerende observatie maar eens heb voorgelegd aan Martin Bril. Nou, die Bril weet van soep hoor en van mannenmanieren. Lees hier zijn bijdrage.
Soep
de Volkskrant, Magazine, 31 maart 2007 (pagina 07) Martin Bril
Een brief uit Ulvenhout. Mieke Nuijen schrijft: 'Proefondervindelijk heb ik de afgelopen dertig jaar het volgende vastgesteld: 1) Mannen houden van soep (althans alle mannen voor wie ik soep heb gekookt), en 2) Mannen die bij mij soep eten, doen dat zwijgend en vergeten hun omgeving. Vraag: kunt u dit verschijnsel verklaren?' Einde brief. Welnu, ik kan het verschijnsel niet verklaren, of Mieke Nuijen moet heerlijke soep koken. Dat lijkt me dan meteen ook een afdoende verklaring.
Toch is het zo'n brief die je een paar keer kunt lezen. Om te beginnen is er dat 'proefondervindelijk'. Alsof mevrouw Nuijen zich dertig jaar geleden voornam uitgebreid empirisch onderzoek te doen naar de reactie van mannen op soep. Ten tweede de onmiddellijke conclusie: alle mannen houden van soep.
Is dat wel zo, trouwens? Zelf, bijvoorbeeld, heb ik geen bijzondere band met soep. Maar goeie linzensoep op het juiste moment - heerlijk. Erwtensoep in de winter, ook goed. Maar verder is soep niet iets waar ik 's nachts wakker van lig. Mijn grootmoeder van vaders kant maakte heerlijke kippensoep. Ik zie het vet er nog in pareltjes op drijven.
Maar verder? Nee, ik ben geen soepman. Dat brengt ons bij de zin die mevrouw Nuijen tussen haakjes heeft geplaatst: 'Althans alle mannen voor wie ik soep heb gekookt.' Bij die mannen hoor ik dus niet. Was dat wel zo, dan zou ik ongetwijfeld anders over soep denken. Wat dat betreft ben ik gewoon een man net als alle andere. De liefde gaat door de maag.
Fascinerend vind ik de aanduiding 'alle mannen'. Alsof zich de afgelopen jaren duizenden mannen in mevrouw Nuijens keuken hebben gemeld om soep te eten. Dat is trouwens wél iets dat ik over soep kan zeggen: het is iets voor in de keuken. Soep eet je aan een ongedekte tafel, bij voorkeur uit een kom. Soep uit een bord vind ik overdreven. Dan moet het wel heel goeie soep zijn. Hoewel, ineens ben ik er niet zo zeker van.
Als ik in Frankrijk ben, eet ik vaak soep. Restaurants waar bouwvakkers eten, hebben bij het middagmaal meestal soep op het menu staan. Dat is van die ingedikte groentesoep waar alle groenteafval van een week in wordt weggekookt. Dat is in feite soep van niets, maar toch goed, als appetizer. En om brood in te soppen, natuurlijk. Een andere Franse soep is er eentje waar oud brood in zit, overigens. Dat soort soep zal niet de soep zijn die Mieke Nuijen maakt, vermoed ik zo. 'De mannen eten hun soep zwijgend.'
Dat vind ik een zin die van alle tijden is, volkomen klassiek. In de Middeleeuwen, in het Napoleontische Parijs, tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het Oostfront, in wegrestaurants overal in Nederland; altijd eten de mannen hun soep zwijgend. Dat hoort bij soep. Soep is geen gerecht om bij te praten. Soep is iets waar je op aanvalt, want je hebt honger.
Soep is soms de opmaat tot iets substantiëlers, een echte maaltijd, maar vaker de opmaat tot iets belangrijkers: een warme, gevulde maag. Geen ander gerecht draagt die belofte zo nadrukkelijk in zich. Eet soep, en daarna ben je tevreden. Nu ik het erover heb, krijg ik er zin in; u ook?
Dan vergeten de mannen hun omgeving ook nog eens. Dat kan iets zeggen over de omgeving. Er is niets de moeite waard om de blik aan te hangen. Maar Mieke Nuijen bedoelt natuurlijk dat haar soep zo goed is dat haar mannen er helemaal genoeg aan hebben. Terwijl ze hem naar binnen lepelen, vallen ze er even helemaal mee samen. Ze zijn als het ware soep, ze zijn één met de soep, en het nuttigen ervan. Dat is ook een echte eigenschap van soep. Je kunt hem niet halfhartig naar binnen werken, je kunt er niet als in een salade ongeïnteresseerd in rond prikken, het is een gerecht dat je moet eten. De damp slaat in je gezicht. In soep kun je alleen maar zin hebben.
Is het iets typisch mannelijks, soepliefde? Ongetwijfeld heeft Mieke ook vaak soep voor vrouwen gekookt. Maar ze heeft het er niet over in haar brief. Misschien zijn mannen makkelijker met een natte vinger te lijmen dan vrouwen, en vallen ze daarom altijd zo aan op soep. Je kunt dat ook positief zien: mannen zijn dromers. Zodra het ergens lekker ruikt, vergeten ze dat ze ook wel eens waardeloze soep hebben gegeten. Bovendien zijn mannen makkelijk: ach, soep, lekker. Het is warm, en het vult. Als je het op hebt, ben je het weer vergeten. Dat is dan weer het noodlot van soep. Het beklijft niet.
Copyright: Bril, Martin
