China rukt op in de wereld en maakt als land een enorme omwenteling door.
Waar je ook bent, zie je de grijparmen van bulldozers nietsontziend toeslaan. Hutongs, betoverende dorpjes: ze worden met de grond gelijk gemaakt. Ze maken plaats voor torenhoge flatgebouwen en een uitgebreid wegen-, tunnel- en bruggennet. Alsof de duvel China op de hielen zit.
Waar je ook bent, zie je de grijparmen van bulldozers nietsontziend toeslaan. Hutongs, betoverende dorpjes: ze worden met de grond gelijk gemaakt. Ze maken plaats voor torenhoge flatgebouwen en een uitgebreid wegen-, tunnel- en bruggennet. Alsof de duvel China op de hielen zit.
De cultuurbarbarij en -vernietiging gaan in China sneller dan ik een actiekreet op een spandoek heb geschilderd. Aan inspraak doet men er niet zo. Een geschilderd symbooltje op de buitenmuur en de bewoners, huurders, eigenaren weten dat ze snel moeten verkassen en opkrassen.
De gemiddelde Chinees lijkt het veranderingsgeweld lethargisch te ondergaan. Is het Confucius, is het Boeddha of zit er niets anders op onder het vigerende politieke systeem?
Het spanningsveld en de tegenstellingen - tussen historie en hi-tech, tussen behoud en afbraak, tussen Confucius en marktkapitalisme - intrigeert mij buitengewoon.
En dan die waanzinnige drive, dat moordende werktempo, die onstuitbare ondernemingszin. Hoe is het mogelijk dat er nog wordt gelachen, dat er nog tijd is om te flaneren en te vliegeren - nationale volkssport van heren op leeftijd - en uitgebreid te eten?
En dan die marktvrouwtjes met hun spitskool, de eenpits-straatrestaurants, de mahjongspelers en de fitnessende bejaarden in parken met hun onafscheidelijke thermoskan thee. Zij lijken zich van het veranderingsgeweld weinig aan te trekken. Op zoveel plekken is China zo kneuterig gezellig.
En dan die prachtige natuur, die karstbergen, die organisch met het landschap verweven boerendorpjes, die prachtige rijstvelden, die rivieren die door het landschap meanderen...
China: wat een land.
